Belichaamde zorg door Maurice Hamington

Men kan zich afvragen waarom een alternatieve benadering van lichamelijkheid in de zorg, zoals zorgesthetiek dat is, nodig zou zijn. Er is immers sinds jaren een zorgethische begaanheid met dit thema. Dat heeft te maken met de manier waarop dat lichaam regelmatig de kop opsteekt in dat zorgethisch discours .
In deze bijdrage ga ik terug naar de oorsprong van die verschijningsvorm, die volgens mij bij het werk van Maurice Hamington ligt. Deze Amerikaanse filosoof en zorgethicus perst een onstuimig lichaam in een knellend, moreel keurslijf. Hij lijkt dat te doen om – paradoxaal genoeg – dat keurslijf aan te kleden.

Met zijn boek Embodied care introduceerde Hamington in 2004 het thema lichamelijkheid binnen de zorgtheorie. Als we het over zorg hebben kunnen we niet om het lichaam en de lichamelijke ervaring heen, is kort gezegd zijn boodschap. Op zich is dat een hele verdienste, want een zeer juiste en waardevolle inbreng. Vreemd eigenlijk dat men daar niet eerder op is gekomen. Maar op Hamingtons beschrijvingen van hoe dat lichaam z’n rol in het zorgen pakt, zijn redeneringen, voorbeelden en categoriseringen, is veel aan te merken. Een aantal van die pijnpunten ga ik hier proberen bloot te leggen.

Premisse

Hamington borduurt voort op de fenomenologie van Maurice Merleau-Ponty. Hij schrijft dat “[i]f ‘the body is our general meaning for having a world’, as Merleau-Ponty suggests, then the body must be our medium for having morality as well (Hamington, 2004).” Dus, vrij vertaald, als het lichaam voor ons een wereld ontsluit, dan moet het lichaam ook ons medium zijn voor moraliteit. Acht jaar later lijkt Hamington nog steeds erg gecharmeerd van conclusies op basis van een enkele premisse, en varieert hij er stellig op los: “If Merleau-Ponty is correct about our body giving us our world, then by extension, the body is also the basis for caring—an obvious yet largely unexamined statement (Hamington, 2012).” Dus hier is het lichaam, omdat het ons een wereld geeft, ook de basis voor zorg. Dat ligt voor de hand, volgens Hamington.

Dergelijke redeneringen vormen het filosofische uitgangspunt van Hamingtons theorie. Ze lijken inzichtelijk, maar strikt genomen, logisch gezien, zijn ze ongeldig. Het volgende syllogisme illustreert dat:
– Geldige conclusies kunnen enkel worden getrokken op basis van ten minste twee ware premissen
– Hamington trekt een conclusie op basis van 1 premisse (waarvan hijzelf zegt niet zeker te weten of deze waar is)
– ergo: Hamington’s conclusie is geen geldige conclusie

Armen die lichamen troosten

In antwoord op de vraag of onze lichamen ook gewoontes in het zorgen kennen, beschrijft hij bevestigend hoe zijn armen zich om het lichaam van zijn dochter heen buigen en het vasthouden wanneer dat lichaam getroost wil worden. “If my daughter hurts herself and cries, I comfort her by hugging her body. [..] My arms do not squeeze her forcefully [..] My arms gently caress in a manner that reflects the concern and affection appropriate for the moment (Hamington, 2004).” Die armen weten volgens Hamington precies hoe ze de persoonlijke ruimte van het lichaam van zijn dochter moeten betreden en precies de juiste hoeveelheid druk in de omarming moeten leggen, et cetera. Hamington beschouwt dit lichamelijk vermogen als bewijs voor zijn claim dat het menselijk lichaam gemaakt is om te zorgen.
Maar als dat zo is, dan is het menselijk lichaam ook gemaakt om te vechten, voor geweld, strijd, onderdrukking, intimidatie, om macht uit te oefenen over anderen, en om macht te ondergaan. Dat kunnen en doen lichamen vaak immers net zo goed als vanzelf. En zo zijn er natuurlijk nog legio activiteiten die niets te maken hebben met de zorg voor anderen, die de claim dat het lichaam specifiek gemaakt is om te zorgen stukken minder betekenisvol maakt. 

Vervolgens past het volgens Hamington niet bij zorggewoontes dat ‘de bearmde’ ondertussen vertelt wat hij gaat doen met die armen: “I do not announce, ‘I am putting my arm around you now for the purpose of comfort.’ My thoughts are all focused on the event that has occured and the task of comforting my daughter (Hamington, 2004).” Maar het ligt er toch ook heel erg aan wat de situatie en de achtergrond van het verdriet zijn. Er zijn veel situaties voorstelbaar, zeker als er machtsverhoudingen of trauma in het spel zijn, waarin het juist wenselijk of zelfs noodzakelijk is om je handelingen door woorden begeleid te laten worden, juist om te kunnen zorgen. Zulke woorden sluiten zorggewoontes niet uit, net zomin als belichaamd zorgen.

Schroef schroeven

Hamington onderscheidt drie ‘caring habits’, belichaamde gewoontes van het zorgen: ‘caring, noncaring en acaring habits’. Met caring gewoontes bedoelt Hamington gewoontes die “exhibit a regard for the growth, flourishing and well-being of another. Subtle practices such as gentle tactile interactions, a soft tone of voice, or a nod of the head (Hamington, 2004)”. Noncaring zijn voor hem die gewoontes ‘that harm an other embodied being’, zoals kindermishandeling. De laatste categorie is die van de acaring gewoontes, dat zijn weliswaar nuttige gewoontes, maar ze zijn “morally uninteresting”, ze hebben voor Hamington niets met zorg of moraal van doen. Hiervoor geeft Hamington het voorbeeld van het indraaien van een schroef. 

Meerdere dingen zijn hier wat mij betreft problematisch. Gewoontes zijn volgens mij niet zonder meer te reduceren tot gedrag. Maar toch kiest Hamington ervoor om zijn zorgende gewoontes uitsluitend te beschrijven aan de hand van waarneembaar, uiterlijk gedrag: “gentle tactile interactions, a soft tone of voice, or a nod of the head”, “exhibit a regard for… (Hamington, 2004)”. Bovendien zijn de benoemde aspecten van belichaamde zorg behoorlijk moraliserend, in de zin dat ze een vrij elitair en wit beeld schetsen van wat als zorggedrag kan worden beschouwd. Daarmee diskwalificeert Hamington een heel scala aan gedragingen om als zorgend te worden herkend. Want hoe staat het met de gewoontes van mensen die niet zo subtiel zijn in hun uitingen, door onhandigheid, door opvoeding, cultuur of door wat dan ook, die niet geleerd hebben wat de heersende, westerse etiketten zijn, of die daar iets van vinden en liever meer authentieke manieren hanteren om hun zorgzaamheid te uiten? Er klinkt vooral de persoonijke voorkeur van de auteur in door. Want wat zijn we te weten gekomen? Dat Hamington (zoals heel veel mensen) een zwak heeft voor subtiele, aardige en zachte gedragingen, waarin vooral veel bevestigend geknikt wordt. 

Bij de noncaring habits, gewoontes ‘that harm an other embodied being’, vraag ik me af of dit soort gewoontes dan niet opgaat voor niet-belichaamde wezens. Waarschijnlijk niet… Maar dan is de toevoeging ‘embodied’ ook hier volstrekt overbodig. Het voorbeeld van kindermishandeling, als je dat al een gewoonte zou willen noemen, geeft te denken. Noemt hij dit omdat het er bij kindermishandeling meestal niet subtiel, aardig en zacht aan toe gaat? Maar kan ‘schade doen’ niet juist op heel veel verschillende manieren gebeuren, ook subtiel, aardig en zacht, door zorgende gewoontes, door goede bedoelingen, et cetera? Of haalt Hamington kindermishandeling aan omdat het te aller tijde moreel verwerpelijk is? Maar dan, wederom, speelt lichamelijkheid in deze argumentatie geen rol van betekenis. Tot slot is het vreemd dat de noncaring habits vallen onder de caring habits, maar voorts geeft Hamington ook geen verklaring voor het feit dat zulke noncaring habits – in het kader van een lichaam dat gemaakt is om te zorgen – er überhaupt zijn.

Vervolgens zijn er nog wat Hamington de ‘acaring habits’ noemt, de weliswaar nuttige maar moreel en zorgethisch oninteressante gewoontes. Het enige voorbeeld dat hij hier geeft is het indraaien van een schroef. Het is dus gissen wat er verder nog allemaal onder de acaring habits kan vallen. Maar om nog even bij die schroef te blijven, want daar valt toch wel meer over te zeggen: is het niet zo dat een schroef eerder zelden precies loodrecht het hout in draait. Je zorgt er daarom altijd voor dat je schroefmachine of schroevendraaier zoveel mogelijk in een rechte lijn met de schroef staat, wat soms erg lastig kan zijn, zeker in kleine ruimtes of onder scherpe hoeken. Daarin speelt het weten van het lichaam een belangrijke rol, want die rechte lijn is meestal een kwestie van aanvoelen en (inderdaad) gewenning. Je zorgt ervoor dat de schroef niet doldraait, je boort voor (voorzorg), let er bij hardhout op dat je de schroef niet te snel indraait (je herkent het geluid en de geur) en dan breekt, je wil bovendien dat je dure bitje lang meegaat, dus goed op de schroef past, en let erop dat je niet uitschiet en je je bitje in je wijsvinger boort, of in de rug van een collega. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de veelheid aan overwegingen en keuzes die komt kijken bij de aanschaf van een nieuwe schroefmachine: vermogen, prijs, duurzaamheid, functionaliteiten, afstelling van het draaimoment, handzaamheid, precisie, liefst van een bepaald merk, passend bij je andere tools, of het een mooi ding is om te zien, of het fijn in de hand ligt, niet te zwaar en zeker niet te licht, passend bij het werk dat je doet, alleen voor schroeven of ook boren, kloppen ook, indruk maken op collega’s, vrienden, familie, etc. Maar goed, naast die schroef, waar kunnen we nog meer aan denken? Het schaven van een stuk hout? Vraag eens aan een houtbewerker hoeveel liefde er in een werk gaat zitten? Het maken van een tafel? Beeldhouwen, schilderen, dansen, dichten? Staan dergelijke activiteiten of praktijken, die eveneens bolstaan van de gewoontes, voor Hamington helemaal los van zowel zorg als moraliteit?

De lezer kan intussen wel raden dat die schroef en aanverwante praktijken vanuit zorgesthetisch perspectief ontzettend boeiend zijn. Juist in zulke belichaamde praktijken als materiaalbewerking en ambacht ligt een schat aan inzichten besloten, bijvoorbeeld over hoe je jezelf als zorgprofessional verhoudt tot professionele waarden en bepaalde aspecten van vakmanschap. Want wat kan de manier waarop je met een stuk hout aan de slag gaat, hoe je je gereedschappen vasthoudt en gebruikt, jou vertellen over hoe jij je tot andere mensen en lichamen verhoudt? Wat is de relatie tussen de precisie en finesse in de vingers van deze vakmens tot zijn of haar waardering van eigen gedachten en ideeën? En beperken de esthetische eisen die deze persoon stelt zich tot het werk, of is er een verband met de manier waarop hij/zij met zichzelf en met anderen omgaat? Het stellen van deze vragen leidt zeker niet tot algemene kennis over hoe dat werkt, maar wel tot persoonlijke inzichten in hoe je jezelf belichaamd verhoudt tot de wereld waarin je leeft.

In diezelfde tijd als sinds het verschijnen van Hamingtons Embodied Care zijn er prachtige boeken geschreven over vakmanschap en maken, zoals bijvoorbeeld door Richard Sennett (The Craftsman) en Tim Ingold (Making) Een belangrijk element in dit soort teksten is nu juist dat vakmanschap en maken ons ontzettend veel kunnen vertellen over hoe wij onszelf als mensen begrijpen en hoe wij ons verhouden tot de materiele werkelijkheid, tot werk en tot elkaar.

Ervaring en lichamelijkheid

Het grootste probleem met een benaderingswijze van lichamelijkheid en zorg zoals die van Hamington, is dat deze feitelijk gezien maar nauwelijks iets toevoegt aan onze kennis of inzichten over hoe zorg werkt. Het enige inzicht is misschien dat het lichaam daarin een belangrijke rol speelt. En dat is zeker niet onbelangrijk. Maar omdat het woord ‘embodied’ telkens wordt toegevoegd aan een bestaand discours, het zorgethisch discours, verandert er niets. Er wordt niets verklaard, geen nieuw licht wordt geworpen op zorgen, empathie, troost of affectie, alles blijft zoals het was. In het volgende citaat uit 2012 wordt dat nogmaals duidelijk: “The common nexus for human-to-human empathy is embodiment. If I see a stranger trip and fall, I can empathize with them, perhaps even act on their behalf because I know something of this experience myself (Hamington, 2012).” De conclusie is al onwaarschijnlijk, aangezien het er bijvoorbeeld maar van afhangt of ik vroeger een beetje empathie voor mezelf kon hebben, of dat er anderen om me heen waren die me optilden. Maar bovenal gaat het er in zijn argument om of ik zelf een bepaalde ervaring heb gehad. Het gehad hebben van een ervaring, van wat voor ervaring dan ook, kan echter als zodanig nooit een argument zijn voor embodiment als ‘common nexus’ voor empathie tussen mensen. 

Tot slot

De zorgethiek heeft de laatste jaren aardig voet aan de grond gekregen in de curricula van het Nederlandse verpleegkunde-onderwijs, en dat is een positieve ontwikkeling. Het Basisboek zorgethiek van Inge van Nistelrooij heeft daar zeker toe bijgedragen. In de laatste editie (2022) is zelfs een hoofdstuk gewijd aan lichamelijkheid. Maar dat is niet voldoende. Om moreel beraad goed in de lessen te borgen is al lastig, dus de kans dat aandacht voor lichamelijke kennis in zulke overleggen van de grond komt is nihil. 

Het lichaam in de zorg is tot op heden niet in de gelegenheid gesteld om voor zichzelf te spreken, en dat is hoognodig. Er is teveel met het lichaam aan de haal gegaan, het spreekt nog geen eigen taal. Er is een emancipatie van het lichaam en lichamelijkheid nodig om tot een verrijking te komen. 

Het lichaam van de verpleegkundige is heel lang de grote afwezige geweest, zowel in het onderwijs als in het werk. Met het oog op de herziening van het landelijke curriculum van de hbo opleiding tot verpleegkundige (de BN2030), lijkt het me daarom goed om ervoor te zorgen dat lichamelijkheid een serieuze plek in de theorie, de praktijk en het onderwijs krijgt. 



Bronnen:
– Hamington, M. Embodied Care. Jane Adams, Maurice Merleau-Ponty, and feminist ethics: University of Illinois Press, 2004
– Hamington, M. Care ethics and corporeal inquiry in patient relations, International Journal of Feminist Approaches to Bioethics, Vol. 5, No. 1 (Spring 2012), pp. 52-69